Feiten & Cijfers

 

University revenue 2011

figuur-1b-Baten-universiteiten-BJV-2012

Figuur 1 toont de inkomsten van de universiteiten in het jaar 2011. De inkomsten van alle veertien universiteiten, inclusief de

 

OU, zijn opgenomen in het overzicht. De bedragen zijn in miljoenen euro’s.

 

Bron: OCW/DUO, Financiële Gegevens Wetenschappelijk Onderwijs, jaarrekeningen 2007 t/m 2011, bewerking VSNU

 

Number of students in 2011 and 2012

figuur-2b-Number-of-students-in-2010-2011-en2012

Figuur 2 toont het aantal studenten dat was ingeschreven in het wetenschappelijk onderwijs op 1 oktober 2011 en op 1 oktober 2012. Alleen eerste inschrijvingen zijn meegeteld. Studenten die een tweede studie volgen, komen in deze figuur niet voor. 
Als gevolg van een dreigende

 

langstudeermaatregel zijn er in studiejaar 2011/’12 meer studenten afgestudeerd. Het aantal studenten dat nu ingeschreven staat, is dan ook licht afgenomen. Verwacht wordt dat er volgend jaar opnieuw een groei is van het aantal ingeschreven studenten.

 

Bron: VSNU/CBS 1cHO 2012 Aggregaat ingeschrevenen. Hoofdinschrijvingen per 1 oktober

 

Number of staff in fte in 2011 and 2012

figuur-3b-Number-of-staff-in-fte-2010-2011-en-2012

Figuur 3 toont het aantal medewerkers dat werkzaam was aan de Nederlandse universiteiten op 31 december 2011 en op 31 december 2012. De totale wetenschappelijke staf is in vergelijking met 2011 toegenomen met 200 fte. De omvang van het ondersteunend personeel is met bijna

 

200 fte afgenomen.
De getallen zijn weergegeven als voltijdse aanstellingen (‘full time equivalenten’). Omdat er deeltijdaanstelling zijn, werken er in werkelijkheid meer personen aan de universiteiten.

 

Bron: WOPI, peildatum 31-12

 

Number of graduates 2011-2012

figuur-4b-Number-of-graduates-in-2011

Figuur 4 toont het aantal studenten dat de Nederlandse universiteiten in het studiejaar 2011-2012 heeft verlaten met een diploma op zak. De cijfers zijn op basis van het aantal diploma’s dat is uitgereikt. In studiejaar 2011/'12 was er sprake van een mogelijke langstudeerdersboete: studenten die veel langer dan de nominale studieduur ingeschreven stonden bij de opleiding, zouden een boete krijgen, bovenop het collegegeld. Daarnaast hebben meer universiteiten een zogenaamde harde knip ingevoerd:

 

doorstroom van de bachelor- naar de masteropleiding mag met ingang van studiejaar 2012/'13 alleen als het bachelordiploma is behaald.
Deze maatregelen hebben ertoe geleid dat het studietempo is toegenomen. De stijging wordt deels verklaard doordat studenten sneller het diploma hebben aangevraagd nadat ze aan alle voorwaarden hadden voldaan. Het aantal doctoraal diploma's neemt verder af en zal langzaamaan verdwijnen als de bachelor-masterstructuur volledig is doorgevoerd.

 

Bron: VSNU/CBS 1cHO 2012 Aggregaat diploma’s

 

Scientific publications published in 2011

figuur-5b-Number-of-research-publications-in-2011 

Figuur 5 toont het aantal wetenschappelijke publicaties dat in 2011 is gepubliceerd door medewerkers van Nederlandse universiteiten. De cijfers omvatten alle wetenschappelijke publicaties (inclusief universitaire proefschriften) en vakpublicaties van dat jaar. In totaal stijgt het aantal publicaties met een ongeveer 1400.

 

Dat wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door een stijging van het aantal gerefereerde artikelen, dat t.o.v. 2010 is toegenomen met 2300. Conference proceedings, non-refereed articles, boeken en professional publications laten een lichte daling zien.
Het aantal promoties neemt met 120 toe, een constante stijging vanaf 2008.

 

Bron: Onderzoeksinzet en -output 2011

 

Citation-impact score Dutch universities

figuur-6-Citation-impact-score-Dutch-universities

Figuur 6 De universiteiten dragen in belangrijke mate bij aan de internationale zichtbaarheid van Nederland als onderzoeksland. Nederlandse onderzoekers publiceerden in 2011 ongeveer 33.000 wetenschappelijke publicaties, wat neerkomt op ongeveer 2 publicaties per 1.000 inwoners. Nederland staat daarmee wereldwijd op de vijfde plaats.
Niet alleen zijn Nederlandse onderzoekers zeer productief, hun publicaties worden internationaal ook goed gewaardeerd.
Een maat om dat te beoordelen is de overall citatie impact. De citatie-impact wordt berekend door te tellen hoe vaak  collega-wetenschappers in hun eigen publicaties verwijzen naar een ander artikel.

 

Uiteraard bestaat er een sterke samenhang tussen veel publiceren en een hoge citatie impact score. Daarom wordt een omvang-onafhankelijke variabele gebruikt bij de beoordeling van de citatie impact. Dat is hier gedaan met een relatieve veld-genormaliseerde citatie impact score, die aangeeft of de publicaties boven of onder het wereldgemiddelde (=1,00) hebben gescoord.
Figuur 6 laat zien dat de citatie-impact van de Nederlandse universiteiten hoog is en nog steeds toeneemt. Publicaties van onderzoekers werkzaam bij Nederlandse universiteiten hebben een citatie-impact die 45% boven het wereldgemiddelde ligt.

 

Bron: Trends in citatie-impact naar institutionele sector Thomson Reuters/CWTS Web of Science. Bewerking: CWTS/NIFU. (bijgewerkt op 15/06/2012)

 

Field normalized impact score of countries

figuur-7b-Citatie-impact-en-publicatie-output

Figuur 7 laat zien dat de citatie impact van alle onderzoekers in Nederland 44% boven het wereldgemiddelde ligt en dat

 

Nederlandse onderzoekers daarmee wereldwijd een derde positie in nemen.

 

Bron OESO; Thomson Reuters/CWTS Web of Science. Bewerking: CWTS/NIFU. (bijgewerkt op 15/06/2012)

 

Investments in higher education 2012 as % of GDP, numbers from 2009

figuur-8b-OECD-EAG-2012 

Figuur 8 toont de investeringen in hoger onderwijs van de tien meest competitieve OECD-landen ter wereld. De investeringen zijn uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product. De gegevens zijn uitgesplitst naar investeringen gedaan door overheden en door private partijen (bedrijven en burgers). De publieke investeringen in Nederland liggen net boven het gemiddelde niveau van deze top 10, de private liggen daar onder. Referentielanden

 

als Zwitserland, Zweden, Finland en Denemarken investeren publiek meer in hun hoger onderwijs en alleen het Verenigd Koninkrijk en Japan hebben over het geheel een lagere investering.
Wil Nederland op het gemiddelde investeringsniveau (1,97% van het BBP) van deze tien landen komen dan moet jaarlijks ongeveer 2 miljard euro extra worden geïnvesteerd.

 

Bron: OECD, Education at a glance 2012
Table B2.3. Expenditure on education institutions as a percentage of GDP, by source of fund and level of education (2009)  
Rangvolgorde volgens de Global Competiteveness Index 2012-2013, World Economic Forum. Nummers verwijzen naar de positie van de OECD-landen op de index.

 

jan
feb
mrt
apr
mei
jun
jul
aug
sep
okt
nov1
nov2
dec