Prestatieafspraken

De universiteiten werken volop aan vier grote opgaven:

  • het tot stand brengen van een ambitieuze studiecultuur en het verbeteren van het studiesucces van studenten;
  • verdere differentiatie van het onderwijs;
  • voortgezette zwaartepuntvorming en profilering van het onderzoek;
  • het vergroten van het maatschappelijke en economisch rendement van kennis door valorisatie.

Dat zijn de hoofdafspraken die de toenmalige staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en (OCW) namens de rijksoverheid en de vereniging van de Nederlandse universiteiten (VSNU) hebben vastgelegd in het Hoofdlijnenakkoord dat zij eind 2011 gezamenlijk hebben gesloten.

Het Hoofdlijnenakkoord bevat afspraken over de prestaties die de universiteiten de komende jaren willen realiseren en over de condities die de overheid zal realiseren om deze prestaties mogelijk te maken. Daarmee is het hoofdlijnenakkoord nadrukkelijk een wederzijdse afspraak tussen de universiteiten én de overheid. Met het Hoofdlijnenakkoord worden de aanbevelingen van de Commissie Veerman over een Toekomstbestendig Hoger Onderwijs Stelsel (Differentiëren in drievoud; april 2010), dat grote politieke steun kreeg, concreet gemaakt.

Het hoofdlijnenakkoord vormt het kader voor de specifieke bilaterale prestatieafspraken die tussen elke afzonderlijke universiteit[1] en de staatssecretaris van OCW eind oktober 2012 zijn gesloten. Er is bewust gekozen voor bilaterale afspraken omdat profilering niet tot stand komt met een sectorale afspraak en iedere universiteit eigen ambities heeft in een eigen specifieke context (en historie).

Alle universiteiten hebben de plannen voor de prestatieafspraken gedegen voorbereid en besproken met alle verantwoordelijke gremia. De Raden van Toezicht zijn nadrukkelijk betrokken in het ontwikkelproces. De ambities zijn binnen de universiteiten, zoals gebruikelijk, besproken met de medezeggenschapsorganen. Overigens niet alleen op universitair niveau maar ook op facultair niveau, omdat de ambities bij alle universiteiten zijn vertaald naar afspraken met decentrale onderdelen. Dit proces heeft binnen zeer korte tijd moeten plaatsvinden vanwege de korte tijd die de universiteiten hadden om de plannen in te dienen. Dat was een hele opgave vooral door de vertaling van de ambities naar decentrale niveaus.

In de jaarrapportage wordt de uitvoering van de prestatieafspraken meer in detail behandeld.

NB Deze rapportage heeft nadrukkelijk het karakter van een startnotitie. De afspraken zijn getekend op 29 oktober 2012. De jaarverslagen 2012 van de universiteiten waar deze rapportage op gebaseerd is, kunnen daarom nog geen uitkomsten laten zien ten gevolge van ingezet beleid.

Er zijn afspraken gemaakt hoe de plannen en ambities van de universiteiten worden beoordeeld in het licht van de korte looptijd van de afspraken (tot eind 2015) en de financiële druk waarmee ook de universiteiten worden geconfronteerd.

Voor de beoordeling is een tijdelijke reviewcommissie geïnstalleerd die de staatssecretaris heeft geadviseerd over het ambitieniveau en de kwaliteit van de plannen. Het advies van de commissie was bepalend voor de hoogte van de beschikbare middelen. De reviewcommissie beoordeelt in 2016 de realisatie van de ambities en adviseert daarover de minister.

Het wederzijdse commitment van het Hoofdlijnenakkoord komt tot uitdrukking in de condities die de overheid zou moeten creëren om de universiteiten in staat te stellen de ambities te realiseren. Specifiek gaat het om de uitwerking van enkele aanvullende afspraken, de aanpassing van de wet- en regelgeving en een stabiele financiering (zie paragrafen 3a en 3b).

Direct na het aangaan van de prestatieafspraken werd al duidelijk dat niet alle condities (volledig) konden worden gerealiseerd (zie paragrafen 3a en 3b). De ambities uit de prestatieafspraken staan voor de universiteiten echter niet ter discussie. Met de huidige minister van OC&W is afgesproken dat de universiteiten in 2014 aangeven wat de gevolgen zijn van het achterwege blijven van condities voor de realisatie van de ambities –binnen de afgesproken tijd-. Eind 2014 worden nadere afspraken gemaakt over hoe met deze gevolgen wordt omgegaan en op welke termijn de ambities alsnog gerealiseerd kunnen worden.

De afspraken lopen tot eind 2015 en de universiteiten verantwoorden zich hierover – in overeenstemming met de afspraken – in 2016. In de tussenliggende jaren wordt de voortgang van de afspraken gemonitord. De universiteiten rapporteren daarover in hun jaarverslagen. Een rapportage over de landelijke voortgang wordt jaarlijks verzorgd door de vereniging van de Nederlandse universiteiten, de VSNU. De reviewcommissie stelt in die tussenliggende jaren eveneens een rapportage op maar richt zich daarbij meer op het gehele stelsel.

De financiering van de prestatieafspraken bestaat uit 7% van het bestaande onderwijsbudget uit de rijksbijdrage van de universiteiten. In totaal is 142 miljoen euro uit de basisfinanciering van universiteiten als subsidie herverdeeld op basis van de plannen van de universiteiten na beoordeling door de Reviewcommissie. Er is geen extra geld vrijgemaakt voor de prestatieafspraken, het gaat om een herverdeling van bestaande middelen.

Ruim 5% van die middelen is als voorwaardelijke financiering beschikbaar gesteld voor prestatieafspraken over onderwijskwaliteit & studiesucces. Dat betekent dat zij voor de periode 2012-2016 worden toegekend op basis van de ingediende plannen en vanaf 2017 alleen worden gecontinueerd als de universiteiten de afgesproken prestaties binnen de daarvoor geldende termijn hebben gerealiseerd.

De overige 2% is selectief toegekend op basis van de plannen die universiteiten hebben ingediend voor de profilering van onderwijs, zwaartepuntvorming en valorisatie.

Zwaartepuntvorming en valorisatie zijn onderdeel van de profilering van instellingen en vinden plaats binnen de context van het nationale topsectorenbeleid. Daarmee is er ook sprake van een verschuiving van de beschikbare middelen in de richting van de disciplines die samenhangen met de topsectoren. De profileringsafspraken worden door de Reviewcommissie in 2014 beoordeeld via een mid term review. Op basis van het advies van de commissie worden de middelen voor de verdere periode toegekend.

In 2016 wordt het experiment prestatieafspraken geëvalueerd waarbij ook aandacht is voor de rol en het functioneren van de Reviewcommissie.



[1] De staatssecretaris van OCW heeft de OU de kans geboden om een eigen invulling te geven aan de indicatoren voor onderwijskwaliteit en studiesucces, daar waar hantering van de verplichte indicatoren gelet op de eigen aard van de OU niet mogelijk is. De prestatieafspraak met de minister is getekend in maart 2013.

 

jan
feb
mrt
apr
mei
jun
jul
aug
sep
okt
nov1
nov2
dec